Aartsbisschop Viganò maant priesters aan om de Tridentijnse Mis te leren: “Het verenigt ons met de Heiligen en de Martelaren van het verleden”

Hieronder een nieuwe brief van Aartsbisschop Viganò, waarin hij vertelt over zijn eigen ‘herontdekking van de Tridentijnse of Traditionele Latijnse Mis’, en diocesane priesters aanraadt om ook deze Mis te leren:

Dilecta Mea – Over de Heilige Apostolische Mis

U die uzelf toestaat de Heilige Apostolische Mis te verbieden, hebt u die ooit gevierd? U die vanaf het hoogtepunt van uw liturgische cathedrae geprikkeld bent door de ‘Oude Mis’, hebt u ooit gemediteerd over zijn gebeden, zijn riten en zijn oude en heilige gebaren? Ik heb mezelf dit de afgelopen jaren vaak afgevraagd: omdat ikzelf, ook al kende ik deze Mis al sinds ik heel jong was; ook al had ik geleerd om het te dienen en te reageren op de celebrant toen ik zo klein was dat ik nog steeds een jongenskniebroek droeg, ik was het bijna vergeten en verloor het. Introibo ad altare Dei. In de winter geknield op de ijskoude treden van het altaar, voordat we naar school gingen. Zweten op warme zomerdagen onder mijn gewaden van misdienaar. Ik was die Mis vergeten, ook al was het de Mis van mijn priesterwijding op 24 maart 1968: een tijdperk waarin men al de tekenen van de revolutie kon waarnemen die kort daarna de Kerk haar kostbaarste schat zou ontnemen, en daarvoor in de plaats een ‘vervalst ritueel’ zou opleggen.

Welnu, die Mis die de conciliaire hervorming annuleerde en verbood in mijn eerste jaren van priesterschap, bleef als een verre herinnering, zoals de glimlach van een verre geliefde, de blik van een vermist familielid, het geluid van een zondag met zijn klokken, zijn vriendelijke stemmen. Maar het was iets dat te maken had met nostalgie, jeugd, het enthousiasme van een tijdperk waarin kerkelijke toezeggingen nog moesten komen, waarin iedereen wilde geloven dat de wereld kon herstellen van de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en de dreiging van Communisme met een hernieuwd spiritueel momentum. We wilden denken dat economisch welzijn op de een of andere manier gepaard zou kunnen gaan met een morele en religieuze wedergeboorte van onze natie [Italië]. Ondanks de revolutie van 1968, de bezettingen, het terrorisme, de Rode Brigades en de crisis in het Midden-Oosten. Zo was, temidden van de duizend kerkelijke en diplomatieke verplichtingen [als Apostolische Nuntius], de herinnering aan iets in mijn geheugen gekristalliseerd dat in feite onopgelost was gebleven, dat al tientallen jaren ‘voor even’ opzij was gezet. Iets dat geduldig wachtte, met de toegeeflijkheid die alleen God jegens ons gebruikt.

Mijn besluit om de schandalen van de Amerikaanse prelaten en de Romeinse Curie aan de kaak te stellen, was de aanleiding om, in een ander licht, niet alleen mijn rol als Aartsbisschop en als Apostolische Nuntius te beschouwen, maar ook de ziel van dat priesterschap wiens dienst eerst in het Vaticaan en ten slotte in de Verenigde Staten mij op één of andere manier incompleet had gelaten: meer voor mijn priester-zijn dan voor het ambt. En wat ik tot dan toe nog niet had begrepen werd mij door een schijnbaar onverwachte omstandigheid duidelijk, toen mijn persoonlijke veiligheid in gevaar leek te komen en ik tegen mijn zin bijna ondergedoken moest leven, ver van de paleizen van de Curie. Het was toen dat die gezegende afscheiding, die ik vandaag beschouw als een soort monastieke keuze, me ertoe bracht de Heilige Tridentijnse Mis te herontdekken. Ik herinner me nog heel goed de dag dat ik, in plaats van het gewone kazuifel, de traditionele gewaden aantrok met de Ambrosiaanse cappino en het manipel. Ik herinner me de vrees die ik voelde toen ik, na bijna vijftig jaar, de gebeden van het missaal uitsprak die weer uit mijn mond kwamen alsof ik ze kort daarvoor had gereciteerd. Confitemini Domino, quoniam bonus, op de plaats van de Psalm Judica me, Deus van de Romeinse Ritus. Munda cor meum ac labia mea. Deze woorden waren niet langer de woorden van de misdienaar of de jonge seminarist, maar de woorden van de celebrant, van ik die opnieuw, zou ik durven zeggen, voor de eerste keer, vóór de Allerheiligste Drie-eenheid celebreerde. Want hoewel het waar is dat de priester een persoon is die wezenlijk leeft voor anderen – voor God en voor zijn naaste – is het evenzeer waar dat als hij zich niet bewust is van zijn eigen identiteit en zijn eigen heiligheid heeft gecultiveerd, zijn apostolaat steriel is als een rinkelende cimbaal.

Ik weet heel goed dat deze overdenkingen degenen die nooit de genade hebben gehad om de Mis van alle tijden te vieren, onbewogen kunnen laten, of zelfs neerbuigendheid kunnen opwekken. Maar hetzelfde gebeurt, denk ik, voor degenen die nooit verliefd zijn geworden en die het enthousiasme en het kuise vervoer van de geliefde naar zijn geliefde niet begrijpen, of voor degenen die de vreugde niet kennen om in haar ogen te verdwalen. De saaie Romeinse liturgist, de prelaat met zijn op maat gemaakte klerikale kostuum en zijn borstkruis in zijn zak, de consultor van de Romeinse congregatie met het nieuwste exemplaar van Concilium of Civiltà Cattolica [Pro-conciliaire tijdschriften] in het volle zicht, kijkt naar de Mis van Sint Pius V met de ogen van een entomoloog (de wetenschap die insecten bestudeert), die die perikoop nauwkeurig navorst zoals een natuuronderzoeker de nerven van een blad of de vleugels van een vlinder observeert. Inderdaad, ik vraag me soms af of ze het niet doen met de asepsis van de patholoog die een levend lichaam opensnijdt met een scalpel. Maar als een priester met een minimum aan innerlijk leven de Oude Mis nadert, ongeacht of hij die ooit eerder heeft gekend of voor de eerste keer ontdekt, wordt hij diep ontroerd door de beheerste majesteit van de Ritus, alsof hij een stap heeft gezet buiten de tijd en de eeuwigheid van God binnenging.

https://remnantnewspaper.com/web/images/2022/Vigano-TLM.jpg
Mgr. Viganò die de Tridentijnse Mis celebreert in zijn private vertrekken, op de locatie waar hij ondergedoken leeft.

Wat ik mijn broeders in het episcopaat en het priesterschap zou willen laten begrijpen, is dat die Mis intrinsiek goddelijk is, omdat men het heilige op een diepe manier waarneemt: men wordt letterlijk opgenomen in de Hemel, in de aanwezigheid van de Allerheiligste Drie-eenheid en het hemelse Hof, ver van het rumoer van de wereld. Het is een liefdeslied, waarin de herhaling van de tekens, de eerbied en de heilige woorden op geen enkele manier nutteloos is, net zoals een moeder nooit moe wordt van het kussen van haar zoon, of een bruid nooit moe wordt van te zeggen: “Ik hou van jou” aan haar man. Alles is daar vergeten, want alles wat erin wordt gezegd en gezongen is eeuwig, alle gebaren die daar worden uitgevoerd zijn eeuwigdurend, buiten de geschiedenis, maar toch ondergedompeld in een continuüm dat het Cenakel, Calvarie en het altaar verenigt, waarop de Mis wordt opgedragen. De celebrant richt zich niet tot het vergaderde volk, met de zorg om begrijpelijk of aardig te zijn of up-to-date te lijken; hij richt zich eerder tot God: en voor God is er alleen het gevoel van oneindige dankbaarheid voor het voorrecht de gebeden van het christelijke volk met zich te kunnen dragen, de vreugden en het verdriet van zoveel zielen, de zonden en tekortkomingen van degenen die smeek vergeving en barmhartigheid, dankbaarheid voor ontvangen genaden en verlichting voor onze dierbare overledenen. Men is alleen, en tegelijkertijd voelt men zich intiem verenigd met een eindeloze menigte zielen die tijd en ruimte doorkruist.

Als ik de Apostolische Mis opdraag, denk ik eraan hoe op datzelfde altaar, ingewijd door de relieken van de martelaren, zoveel heiligen en duizenden priesters, dezelfde woorden gebruiken die ik zeg, dezelfde gebaren herhalen, dezelfde buigingen maken en dezelfde kniebuigingen, dezelfde gewaden dragend. Maar bovenal het ontvangen van de Heilige Communie met hetzelfde Lichaam en Bloed van Onze Heer, voor wie wij allen zijn gelijkgesteld in het brengen van het Heilig Offer. Wanneer ik de Mis aller tijden vier, besef ik op de meest sublieme en volledige manier de ware betekenis van wat de Leer ons leert. In persona Christi handelen is geen mechanische herhaling van een formule, maar het besef dat mijn mond dezelfde woorden uitspreekt die de Heiland over het brood en de wijn in het Cenakel uitsprak; dat terwijl ik de Hostie en de Kelk tot de Vader verhef, ik de opoffering herhaal die Christus van Zichzelf aan het kruis heeft gemaakt; dat ik bij het ontvangen van de Heilige Communie het Offerslachtoffer consumeer en me voed met God Zelf, en dat ik niet deelneem aan een feest.

En de hele Kerk is met mij: de Zegevierende Kerk die zich verwaardigt zich te verenigen met mijn smekende gebed, de Lijdende Kerk die erop [de Mis] wacht om het verblijf van de zielen in het Vagevuur te verkorten, en de Strijdende Kerk die zich sterkt in de dagelijkse geestelijke strijd. Maar als, zoals we met geloof belijden, onze mond werkelijk de mond van Christus is, als onze woorden in de toewijding werkelijk die van Christus zijn, als de handen waarmee we de Heilige Hostie en de kelk aanraken de handen van Christus zijn, welk respect moeten we dan hebben voor ons lichaam hebben, het zuiver en onbesmet houdend? Welke betere stimulans is er om in de genade van God te blijven? Mundamini, qui fertis vasa Domini. En met de woorden van het missaal: Aufer a nobis, quæsumus, Domine, iniquitates nostras: ut ad sancta sanctorum puris mereamur mentibus introire.

De theoloog zal me vertellen dat dit een algemene leerstelling is, en dat de Mis precies dat is, ongeacht de ritus; ik ontken het niet, rationeel gezien. Maar terwijl de viering van de Tridentijnse Mis een constante herinnering is aan een ononderbroken continuïteit van het werk van de Verlossing bezaaid met heiligen en zaligen, gebeurt hetzelfde, lijkt mij, niet met de hervormde ritus.

Als ik naar de tafel kijk versus populum, dan zie ik daar het Lutherse altaar of de protestantse tafel; als ik de woorden van het instelling van het Laatste Avondmaal lees in de vorm van een verhaal, hoor ik de wijzigingen van Cranmer’s Common Book of Prayer en de dienst van Calvijn; als ik door de hervormde kalender kijk, zie ik dat dezelfde heiligen die de ketters van de pseudo-hervorming (de Reformatie) hebben geannuleerd, zijn verwijderd. En hetzelfde geldt voor de liederen, waar een Engelse of Duitse katholiek van zou schrikken: het horen van de hymnen van hen die onze priesters martelden en het Heilig Sacrament vertrapten uit minachting voor “paaps bijgeloof”, gezongen onder de gewelven van een kerk, zou ons de afgrond die bestaat tussen de Katholieke Mis en zijn conciliaire vervalsing moeten doen begrijpen. Om nog maar te zwijgen over de taal: de eersten die het Latijn afschaften waren de ketters, in de naam om de mensen een beter begrip van de riten te geven; een volk dat zij misleidden, de geopenbaarde waarheid betwistend en dwaling propagerend.

Alles is profaan in de Novus Ordo. Alles is tijdelijk, alles is toevallig, alles is contingent, variabel en veranderlijk. Er is niets van het eeuwige, omdat de eeuwigheid onveranderlijk is, net zoals het geloof onveranderlijk is. Net zoals God onveranderlijk is. Er is nog een ander aspect van de traditionele Heilige Mis dat ik zou willen benadrukken, en dat verenigt ons met de heiligen en martelaren uit het verleden. Sinds de tijd van de catacomben tot de meest recente vervolgingen, waar een priester het Heilig Offer viert, zelfs op een zolder of een kelder, in het bos of in een schuur, of zelfs in een busje, is hij op mystieke wijze in gemeenschap met die menigte heldhaftige getuigen van het Geloof, en de blik van de Allerheiligste Drie-eenheid rust op dat geïmproviseerde altaar; daarvoor knielen alle engelenscharen aanbiddelijk; alle zielen in het Vagevuur kijken ernaar. Ook hierin, vooral hierin, begrijpt ieder van ons hoe de Traditie een onlosmakelijke band tussen de eeuwen schept, niet alleen in de jaloerse bewaring van die schat, maar ook bij het doorstaan ​​van de beproevingen die het met zich meebrengt, zelfs tot de dood.

In aanwezigheid van deze gedachte zou de arrogantie van de huidige tiran [Bergoglio], met zijn krankzinnige decreten, ons moeten versterken in trouw aan Christus en ons het gevoel moeten geven dat we een integraal onderdeel zijn van de Kerk van alle tijden, omdat we de palm van de overwinning niet kunnen winnen, als we niet klaar zijn om de bonum certamen [de goede strijd] te strijden.

Ik zou willen dat mijn medebroeders het ondenkbare zouden durven doen: ik zou willen dat ze de Heilige Tridentijnse Mis naderen, niet om tevreden te zijn met het kant van een albe of met het borduurwerk van een kazuifel, of vanwege een louter rationele overtuiging over zijn canonieke legitimiteit of over het feit dat het nooit is afgeschaft; maar veeleer met de eerbiedige vrees waarmee Mozes de brandende braamstruik naderde: wetende dat ieder van ons, wanneer hij na het Laatste Evangelie van het altaar afdaalt, op de een of andere manier innerlijk wordt getransformeerd omdat hij daar het Heilige der Heiligen heeft ontmoet.

Alleen daar, op die mystieke Sinaï, kunnen we de essentie van ons priesterschap begrijpen, namelijk het geven van jezelf aan God, vooral; een offerande van alles van zichzelf samen met Christus het Slachtoffer, voor de grotere glorie van God en de redding van zielen; een geestelijk offer dat kracht en sterkte put uit de Mis; zelfverzaking om plaats te maken voor de Hogepriester; een teken van ware nederigheid, in de vernietiging van de eigen wil en overgave aan de wil van de Vader, naar het voorbeeld van de Heer; een gebaar van authentieke “gemeenschap” met de heiligen, in het delen van dezelfde geloofsbelijdenis en dezelfde ritus.

En ik zou niet alleen willen dat enkel degenen die de Novus Ordo decennialang hebben gecelebreerd deze “ervaring” hebben, maar vooral de jonge priesters en degenen die hun ambt in de frontlinie uitoefenen: de Mis van Sint Pius V is voor ontembare geesten, voor gulle en heldhaftige zielen, voor harten die branden van Liefde voor God en de naaste.

Ik weet heel goed dat het leven van de priesters vandaag bestaat uit duizend beproevingen, stress, het gevoel alleen te zijn in de strijd tegen de wereld, in de desinteresse en verbanning van oversten, uit een langzame slijtage die afleidt van herinnering, uit het innerlijk leven en uit geestelijke groei. En ik weet heel goed dat dit gevoel van belegerd te zijn, jezelf te vinden als een zeeman die alleen is en een schip door een storm moet loodsen, niet het voorrecht is van traditionalisten of progressieven, maar het gemeenschappelijke lot is van al diegenen die hun leven aan de Heer en aan de Kerk hebben gegeven, elk met hun eigen ellende, met economische problemen, misverstanden met de bisschop, kritiek van hun medebroeders, evenals de eisen van de gelovigen. En ook die uren van eenzaamheid, waarin de aanwezigheid van God en het gezelschap van de Maagd Maria lijken te verdwijnen, net als in de donkere nacht van de heilige Johannes van het Kruis. Quare me repulist? Et quare tristis incedo, dum affligit me inimicus?

Wanneer de duivel sluipend tussen internet en televisie kronkelt, quærens quem devoret, misbruik makend van onze vermoeidheid door verraad. In die gevallen, waar we allemaal mee te maken hebben, net zoals Onze-Lieve-Heer deed in Getsemane, is het ons Priesterschap dat Satan wil aanvallen, zich overtuigend presenterend als Salomé voor Herodes, en ons om de gave van het hoofd van de Doper vragen. Ab homine iniquo, et doloso erue me. In de beproeving zijn we allemaal hetzelfde: omdat de overwinning die de Vijand wil behalen niet alleen over de arme zielen van de Gedoopten gaat, maar over Christus de Priester, wiens Zalving wij dragen. Om deze reden is de Heilige Tridentijnse Mis vandaag meer dan ooit het enige anker van het heil van het katholieke priesterschap, omdat daarin de priester herboren wordt, elke dag, in die bevoorrechte tijd van intieme vereniging met de Heilige Drie-eenheid, en van daaruit hij trekt onmisbare genaden aan om niet in zonde te vallen, om vooruitgang te boeken op de weg van heiligheid en om het gezonde evenwicht te hervinden waarmee hij zijn bediening het hoofd kan bieden. Iedereen die gelooft dat dit alles louter als een ceremoniële of esthetische kwestie kan worden teruggebracht, heeft niets begrepen van zijn eigen priesterlijke roeping.

Omdat de Heilige Mis “van alle tijden” – en dat is het ook, zoals altijd door de Tegenstander is tegengewerkt – geen gedienstige minnaar is die zich aan iemand aanbiedt, maar eerder een jaloerse en kuise bruid, zo jaloers als de Heer is. Wil je God behagen of degene die je bij Hem vandaan houdt? De kernvraag is altijd deze: de keuze tussen het zachte juk van Christus en de slavernijketens van de Tegenstander. Het antwoord zal u duidelijk en helder lijken op het moment dat ook u, verwonderend over deze immense schat die voor u verborgen is gehouden, ontdekt wat het betekent om het Heilig Offer te vieren, niet als zielige “voorzitters van de vergadering”, maar eerder als “dienaren van Christus en uitdragers van de mysteries van God” (1 Kor 4:1). Pak het Missaal op, vraag om hulp aan een bevriende priester en beklim de berg van de gedaanteverandering: Emitte lucem tuam et veritatem tuam: ipsa me deduxerunt, et adduxerunt in montem sanctum tuum, et in tabernacula tua. Net als Petrus, Jakobus en Johannes zul je uitroepen: Domine, bonum est nos hic esse – “Heer, het is goed dat we hier zijn” (Mt 17:4). Of, met de woorden van de psalmist die de celebrant herhaalt bij het Offertorium: Domine, dilexi decorem domus tuæ, et locum habitationis gloriæ tuæ. Als je het eenmaal ontdekt hebt, zal niemand je meer datgene kunnen afnemen waardoor de Heer je geen dienaren meer noemt, maar vrienden (Joh 15:15). Niemand zal je ooit kunnen overtuigen om er afstand van te doen, en je dwingen tevreden te zijn met de vervalsing ervan die door opstandige geesten is ontstaan. Eratis enim aliquando tenebræ: nuc enim lux in Domino. Ut filii lucis ambulant. “Want eens was je duisternis, maar nu ben je licht in de Heer. Wandel dan als kinderen van het licht” (Ef 5:8). Propter quod dicit: Surge qui dormis, et exsurge a mortuis, et illuminabit te Christus. “Daarom zegt hij: Ontwaak, o slaper, en sta op uit de doden, en Christus zal u verlichten” (Ef 5:14).

+ Carlo Maria Viganò, Aartsbisschop

Bron: LifeSiteNews


Lees ook: Handleiding voor wie graag de Tridentijnse Mis wil leren kennen