Kritiek op Bergoglio

Editoriaal: Niet het geloof, maar het ‘geloofsgevoelen’ wordt van belang geacht

top-49-influential-men-pope-francis-25-1088607-TwoByOne

In juni 2014 heeft het Vaticaan een document gepubliceerd over het geloofsgevoelen onder de titel “De Sensus Fidei in het Leven van de Kerk”. In feite gaat dit document over de plaats van de goddelijke openbaring in de geloofsopvatting. De term sensus fidei is verre van neutraal, want het vormt de kerngedachte van het theologisch Modernisme dat door Paus Pius X werd getypeerd als de ‘opeenstapeling van alle ketterijen’ (omnium hæreseon collectum).

Gezien de eerdere uitspraken van paus Franciscus, die zich heeft laten kennen als progressief theoloog, zal ondergetekende (Hubert Luns) met een zekere argwaan de komende ontwikkelingen gadeslaan. Het voormelde document heeft namelijk de ingrediënten om verregaand te worden misbruikt. Hoe dit in zijn context kan worden geplaatst, blijkt uit het hieronder aangehaalde citaat uit de bespreking van pater Lemius van de encycliek tegen het theologisch Modernisme dat in 1907 uitkwam. Het werk van Lemius, dat het jaar daarop verscheen om de encycliek beter toegankelijk te maken, heet “Catechismus van het Modernisme”. Het idee van de absolute superioriteit van de mens en zijn rede, als uitvloeisel van het humanisme, is vooral ná de Franse Revolutie op de voorgrond getreden. Het ‘rationalisme’ werd toen gekoppeld aan het ‘romantisme’ van Jean- Jacques Rousseau (†1778), dat de individualiteit, uniciteit en de spontane subjectieve emoties en ‘appetites’ voorop stelt.

Iedere godsdienst, aldus het Modernisme, kan en moet vanuit de mens worden verklaard. Hierop bestaat geen uitzondering. En gaat het verder: de godsdienst als exponent van het geloof vindt zijn oorsprong in de menselijke behoefte. Deze leer is door Pascendi als het ‘immanentisme’ veroordeeld. Terwijl eerdere ketterijen een of meer waarheden van het katholieke geloof aanvielen, verwerpt het Modernisme praktisch de gehele leer van de Kerk; zij trekt zelfs het bestaan van een persoonlijke God in twijfel of houdt er geen rekening mee. Paus Pius IX heeft het rationalistisch en naturalistisch ongeloof fel bestreden, dat toen nog niet gekend was onder de naam van het Modernisme. In 1864 bracht Pius IX “De Syllabus” uit met een lijst van tachtig dwalingen over God, de Kerk en andere kwesties. In 1870 plaatste hij de kroon op zijn werk met het bijeenroepen van het Eerste Vaticaans Concilie. Zijn tweede opvolger, Pius X, veroordeelde het theologisch Modernisme in zijn encycliek uit 1907, “Pascendi Dominici Grecis” (over het weiden van de kudde), dat zich vooral bewoog op dogmatisch en bijbels gebied, zoals dat bij de tegenstanders van de Kerk gold, maar begaf zich nauwelijks op het gebied van de moraal. Aanleiding voor het op de voorgrond treden van deze stroming was de filosofie van Immanuel Kant (†1804) volgens wie God en het bovennatuurlijke niet gekend kunnen worden, alhoewel zijn bestaan ‘an sich’ niet werd ontkend.

Het Modernisme is wel bereid om een religieus ‘gevoel’ te aanvaarden. Volgens het Modernisme komt ons godsidee voort uit het schimmige religieuze sentiment van de mens en vindt niet zijn ontstaan in een objectieve waarheid. De formules die we gebruiken om een religieuze waarheid uit te drukken zijn hiermee afgezwakt tot louter symbolische uitspraken. Kerk en Sacramenten kunnen daarom ook niet door een Christusfiguur als onveranderlijk instituut aan de mensheid gegeven zijn; de Heilige Schrift dus ook niet door de Heilige Geest zijn geïnspireerd en deze moet daarom tal van menselijke tekortkomingen en dwalingen bevatten, zoals trouwens elk door mensen geproduceerd werk. Het dogma van de Katholieke Kerk zou slechts ‘formule’ zijn die met het voortschreiden der tijd aan verandering onderhevig is, toegespitst op wat men dienstbaar acht binnen het ‘Daseinsgefühl’ (levens- of existentieel gevoel). Het geloofsgevoelen, zo heet het, begint bij het individu als de ‘sensus fidei’. Als dat geloofsgevoelen zich tot de gehele kerkgemeenschap uitstrekt spreekt men van de ‘sensus fidei fidelium’, kortweg de ‘sensus fidelium’. Het is maar welke waarde daaraan wordt toegekend. Indien verabsoluteert ontstaat de mokerhamer van de Kerk.

Hieronder enkele citaten uit het document:

(§112) Paus Franciscus benadrukt de ‘missionaire kracht’ van de volksvroomheid en zegt, met een impliciete verwijzing naar de sensus fidei, dat er ‘onder de volksvroomheid’ ook zoiets als ‘een actieve evangeliserende kracht schuilgaat die wij niet moeten onderschatten: wie dat doet zou het werk van de Heilige Geest kunnen veronachtzamen’.
(§116) De Kerk zelf is wereldwijd bezig met vormingsprogramma’s die mensen hun eigen stem en hun eigen rechten willen bezorgen.
(§119) Het dient gezegd te worden dat de ervaring van de Kerk leert, dat de geloofswaarheid soms niet bewaard is door het werk van theologen of het onderricht van de meerderheid van de bisschoppen, maar wel in de harten van de gelovigen.
(§127) Door de sensus fidei zijn de gelovigen in staat, niet alleen te herkennen wat met het Evangelie overeenstemt en af te wijzen wat ermee in strijd is, maar ook aan te voelen wat, zoals Paus Franciscus zegt, ‘nieuwe wegen’ voor het geloof van het pelgrimsvolk als geheel zijn. Een van de redenen waarom bisschoppen en priesters dicht bij hun volk onderweg moeten blijven en mee moeten lopen is juist, dat zij daardoor ‘nieuwe wegen’ die het volk aanvoelt kunnen opmerken.

Hier volgt een citaat uit de “Catechismus van het Theologisch Modernisme” (deel 1, hfst. 1:3-4). Dit wordt u aangereikt om op uw hoede te zijn. Een gewaarschuwd mens telt voor twee!

Titelpagina Catechismus.2

De Vermeende Oorsprong van Godsdienst
Vraag — Indien men wil weten hoe deze ‘behoefte aan het goddelijke’ via zijn verwezenlijking in de mens in godsdienst uitmondt, wat antwoorden de Modernisten dan?
Antwoord — De Modernist legt uit: „De twee disciplines van wetenschap en geschiedenis worden door verschillende factoren begrensd: de ene uitwendig, die van de zichtbare wereld, de andere inwendig, die van het geweten. Als die disciplines hun grenzen hebben bereikt, kunnen zij onmogelijk verdergaan, want aan de andere kant ligt het onkenbare. De uitdaging die dit onkenbare stelt – hetzij buiten de mens aan gene zijde van de zichtbare natuur, hetzij in de mens zelf in de diepten van zijn binnenste – roept in een ziel die daar vatbaar voor is een bijzonder sentiment op zonder dat dit maar enigszins rationeel is onderbouwd.”
Commentaar: De Modernist onderwerpt zich wat dit betreft aan de regels van het apostatisch fideïsme, dat de redelijke component in onze geloofsovertuiging uitsluit.
En gaan zij verder: „Bedoeld sentiment heeft dit eigenaardig aspect dat de mens God als realiteit zoekt, die tezelfder tijd zijn intrinsieke grondslag of psyche is. Dankzij dit ongrijpbaar innerwezen dat ons godsbesef voedt, zal de mens op zekere manier met God worden verenigd. Dit geloofsgevoel (de sensus fidei) aanvaarden wij als ‘het geloof’. Aldus gedefinieerd, maakt het geloof de grondslag uit van elke godsdienst.” Commentaar: God als onafhankelijk persoon zal dan hebben afgedaan!

• Het Begrip Openbaring
V. — Beperkt de Modernistische religieuze opvatting zich tot het voormelde systeem?
A. — „We hebben het eind van hun denksysteem nog lang niet bereikt, of beter gesteld, hun dwaasheid.”
V. — Wat ontdekken de Modernisten in het door hun veronderstelde sentiment van het goddelijke?
A. — „In het bedoelde sentiment ontdekken zij niet alleen het geloof, maar samen mét en in het door hen omschreven geloof, ontdekken zij de openbaringsgave, die volgens hen daarin ‘vertoeft’.”
V. — Hoe ontstaat volgens hen openbaring en welke betekenis kennen zij daaraan toe?
A. — „Wat zou men, zeggen ze, anders kunnen verwachten voor iets dat voor openbaring doorgaat? Is het religieus gevoelen, zoals zich dat aan het bewustzijn kenbaar maakt, geen openbaring zo niet het begin der openbaring? Waarlijk, kan God zoals die zich, zij het uiterst vaag, aan de ziel toont, niet dezelfde religieuze betekenis hebben als de openbaringsgave?” En gaan ze verder: „Aangezien God zowel doel als begin van het geloof is, houdt deze openbaring in dat het geopenbaarde en de openbaarder, die wij God plegen te noemen, aan elkaar gelijk zijn.”
V. — Welke absurde conclusie volgt uit deze filosofie, of liever, uit deze Modernistische dwaasheid?
A. — „Dit leidt tot de absurde conclusie dat iedere godsdienst vanuit het voor deze godsdienst geldende perspectief dient te worden bekeken in zowel het natuurlijke als bovennatuurlijke aspect. Hieruit volgt dat iedere godsdienst, om het even welke godsdienst, evenveel respect verdient!”
V. — Wat volgt daar nog verder uit?
A. — „De gevolgtrekking is ook dat het bewust waarnemen van iets gelijkgetrokken wordt met iets dat openbaring heet: de uitdrukkingsvorm wordt dan synoniem aan het gevoelen.”
V. — Welke hoogste en universele wet kan volgens de Modernisten daaruit worden gedestilleerd?
A. — „De wet volgens welke de religieuze expressie maatgevend is. Die staat identiek aan de openbaring zelf. Alles zou zich daaraan moeten onderwerpen. Het leidt tot de vreemde constructie dat in geloofszaken de enig objectieve maatstaf het subjectieve is; dat derhalve de tijdsgebonden volksgewaarwording (de sensus fidelium) primeert.”(*)
V. — Alles moet zich daaraan onderwerpen! Alles? Dus ook het oppergezag van de Kerk?
A. — „Aan deze universele wet moet alles zich onderwerpen, ja zelfs het oppergezag (het magisterium) in zijn drievoudige functie: op leerstellig gebied, op het liturgische vlak en die der tucht.”
* In deze zin is een synoniem voor volksgewaarwording ‘het gesundes Volksempfinden’, wat een begrip is dat in de Duitse romantiek ontstond, dat in de navolgende eeuw berucht werd door de rol die eraan werd toegekend in het nationaalsocialisme, waar het tot exclusieve rechtsbron in het strafrecht werd verheven die, als het zo uitkwam, de wet terzijde stelde.

Nog verder commentaar
Het rapport van de theologische commissie over de sensus fidei komt over als een Modernistisch geschrift. Waarom anders worden er geen voorbeelden aangehaald van de negatieve ervaringen in de geschiedenis met de volksgewaarwording of volksdevotie. Daar zijn voorbeelden van, zowel binnen als buiten de Kerk.(*) Er zijn ongetwijfeld ook positieve ervaringen. Het feit echter dat een praktijk een ‘levende devotie’ is, die door een brede massa wordt aanvaard, vormt op zich geen bewijs van zijn legitimiteit. Denk aan de strenge veroordeling door de Roomse Kerk van het flagellantisme, waarin zich de macht van zelfkastijding openbaarde, wat binnen de zogenaamde Heilige Kerk als een der ergste verdorvenheden kan worden beschouwd die zich daar hebben voorgedaan. ‘Vrome’ zelfkastijding met bloed vloeiend was geen uitzondering. Flagellanten, ook gesel- of kruisbroeders genoemd, waren fanatici die in de 13e tot 15e eeuw in ‘vrome’ optochten door het land trokken en met zelfkastijding God barmhartigheid wilden afdwingen. De volgelingen stonden bekend om hun openbare geselingen, waarbij tot wel tienduizend man grote menigten door de vlakten en steden marcheerden, alhoewel hun soms de toegang tot een stad werd ontzegd. De praktijk kende geen duidelijke leer of herkenbare leiding, maar deze massahysterie, wat het in feite was, vond in afzonderlijke uitbarstingen over geheel Europa plaats. Aanvankelijk werden de flagellanten door de Katholieke Kerk getolereerd, en toen deden ook monniken en priesters mee. Maar na 1300 werd de Kerk steeds minder tolerant, gealarmeerd als zij was door de snelle verspreiding van deze beweging en haar excessen. In 1349 veroordeelde Paus Clementus VI de flagellanten in een pauselijke bul, waarin hij de kerkleiders aanspoorde de zaak tegen te werken. Dit werd 23 jaar later door Gregorius XI nogmaals bekrachtigd, waarbij hij een vergelijking trok met andere ketterse groeperingen. Tenslotte heeft het Concilie van Konstanz de beweging in 1417 scherp veroordeeld.

* De commissie had te rade kunnen gaan bij “Psychologie des Foules” (De Massapsychologie) uit 1895 van Gustave Le Bon. Daarin zegt hij: “De argumenten van de massa’s, waardoor ze ook kunnen worden beïnvloed, zijn vanuit logisch standpunt van zo’n inferieure kwaliteit dat dit alleen via analogie als ‘denken’ kan worden bestempeld.” (3,2) Alsook: “Beschavingen zijn tot nog toe alleen ontstaan en geleid door een klein intellectuele elite, nooit door de massa’s. De massa’s hebben alleen kracht tot vernietiging. Hun heerschappij staat altijd gelijk aan de barbaarse fase. Een beschaving, daarentegen, omvat vaste regels, discipline, een evolutie van de instinctieve naar de rationele staat, een vooruitdenken van de toekomstige gebeurtenissen, een hoogstaande cultuur – en dit alles kunnen de menigten, indien aan zichzelf overgelaten, hetgeen steeds weer gebleken is, niet verwezenlijken.” (Inleiding)

Bron: Toegestuurd door Hubert Luns

Advertenties

Categorieën:Kritiek op Bergoglio

Getagd als:

1 antwoord »

  1. geloof is geen gevoel niet empirisch maar op feiten gebaseerd ( 1 Kor 15 -1)! iets dat zich binnen de historische geschiedenis heeft voorgedaan en de apostelen waren daar getuigen van !! SHALOM