christenvervolging

De Heilige Eucharistie in de illegaliteit tijdens de Sovjet-heerschappij

Bisschop Athanasius Schneider vertelt:

Het Sovjet communistische regime, dat ongeveer 70 jaar heeft geduurd (1917-1991), had de pretentie een soort aards paradijs tot stand te brengen. Maar dit rijk kon niet van lange duur zijn omdat het gefundeerd was op de leugen, op de schending van de menselijke waardigheid, op de ontkenning en zelfs de haat jegens God en Zijn Kerk. Het was een rijk waarin God en de geestelijke waarden geen enkele ruimte konden en mochten hebben. Elk teken dat de mensen zou kunnen herinneren aan God, Christus en de Kerk, was verwijderd uit het openbare leven en uit het zicht van de mensen. Er bestond echter een realiteit die des te meer herinnerde aan de mensen van God: de priesters. Om die reden moest de priester niet enkel niet zichtbaar zijn, hij mocht zelfs niet bestaan.

Voor de vervolgers van Christus en Zijn Kerk was de priester de gevaarlijkste persoon. Misschien kenden zij onbewust de reden waarom de priester kon worden gehouden voor de gevaarlijkste persoon. De ware reden was deze: alleen de priester kon God aan de mensen geven, kon Christus op een meer concrete manier geven, en zo direct mogelijk: door de Eucharistie, de Heilige Communie. Daarom was het vieren van de Heilige Mis verboden. Maar geen enkele menselijke macht was in staat de goddelijke kracht te overwinnen, die werkzaam was in het mysterie van de Kerk en bovenal in de sacramenten.

Gedurende deze donkere jaren was de Kerk, in het onmetelijke Sovjet imperium, gedwongen om in de illegaliteit te leven. Maar het allerbelangrijkste was het volgende: de Kerk was levend, zelfs springlevend, hoewel het haar ontbrak aan zichtbare structuren, aan gewijde gebouwen en er een enorm gebrek aan priesters was. De Kerk was springlevend omdat haar de Eucharistie niet ontbrak – hoewel zelden beschikbaar voor de gelovigen – omdat het haar niet ontbrak aan zielen met een sterk geloof in het mysterie van de Eucharistie, maar ook omdat het haar niet ontbrak aan vrouwen, dikwijls moeders en grootmoeders, met een ‘priesterlijke’ ziel, die de Eucharistie bewaarden en uitdeelden met buitengewone liefde, fijngevoeligheid en met de hoogst mogelijke eerbied, in de geest van de Christenen in de eerste eeuwen.

Onder talloze voorbeelden van ‘eucharistische’ zielen uit de tijd van de Sovjet Unie, wordt hier het voorbeeld gegeven van drie vrouwen: Maria Schneider (moeder van Mgr. Athanasius Schneider, de auteur van dit stuk), Pulcheria Koch (zuster van de grootvader van Mgr. Schneider) en Maria Stang (uit het bisdom Karaganda).

Maria Schneider, mijn moeder, vertelde mij: na de tweede wereldoorlog deporteerde het stalinistische regime veel Duitsers uit het gebied van de Zwarte Zee en de rivier de Wolga naar het Oeralgebergte om ze daar tot dwangarbeid te verplichten. Zij werden alle geïnterneerd in zeer armzalige barakken in een getto van de stad. Daaronder bevonden zich duizenden Duitse katholieken. Dikwijls kwamen in het uiterste geheim enkele katholieke priesters naar hen toe om de sacramenten toe te dienen, met gevaar voor hun eigen leven. Onder die priesters, die vaker kwamen, was een zekere Alexij Saritski, een Grieks katholieke priester uit Oekraïne, die ook in de Latijnse ritus celebreerde. Hij stierf als martelaar op 30 oktober 1963, nabij Karaganda, en werd door paus Johannes Paulus II in 2001 zalig verklaard. De gelovigen noemden hem liefdevol ‘Gods vagebond’. In januari 1958 kwam pater Alexij plotseling in het geheim uit zijn exil in de stad Karaganda in Kazachstan naar de stad Krasnokamst, bij Per, in de Oeral.

Pater Alexij deed zijn best om een zo groot mogelijk aantal gelovigen voor te bereiden op het ontvangen van de heilige Communie. Daarom hoorde hij letterlijk dag en nacht de biecht, zonder te slapen en te eten. De gelovigen drongen er bij hem op aan: ‘Pater, u moet eten en slapen!’ Hij daarentegen antwoordde: ‘Ik kan niet, want de politie kan mij van het ene moment op het andere arresteren, en dan zouden zoveel mensen zonder biecht blijven en dus zonder Communie.’ Nadat allen hadden gebiecht begon pater Alexij de Heilige Mis te vieren. Plotseling weerklonk er een stem: ‘De politie is in de buurt!’ Maria Schneider woonde de H. Mis bij en zei tot de priester: ‘Pater, ik kan u verstoppen, laten we vluchten!’ Ze bracht de priester naar een huis buiten de Duitse getto en verborg hem in een kamer, bracht hem iets te eten en zei: ‘Pater, nu kunt u eindelijk eten en een beetje rusten, en wanneer het nacht wordt, vluchten we naar de dichtstbijzijnde stad.’ Pater Alexij was verdrietig, omdat allen hadden gebiecht, maar de H. Communie niet hadden kunnen ontvangen, want de Heilige Mis, die amper was begonnen, werd onderbroken vanwege de komst van de politie. Maria Schneider zei: ‘Pater, alle gelovigen zullen met groot geloof en toewijding de geestelijke Communie doen en wij hopen dat u zult terugkomen om ons de H. Communie te geven.’

Bij het vallen van de avond begon men de vlucht voor te bereiden. Maria Schneider liet haar twee kleine kinderen bij haar moeder achter en riep Pulcharia Koch (de tante van haar echtgenoot). De twee vrouwen riepen pater Alexij en vluchtten 12 kilometer door het bos, in de sneeuw en bij -30°C. Ze kwamen bij een klein stationnetje, kochten een treinkaartje voor pater Alexij en gingen in de wachtkamer zitten, want ze moesten nog een uur op de trein wachten. Plotseling ging de deur open en verscheen er een politieagent die zich direct tot pater Alexij wendde. Staande voor de pater vroeg hij: ‘Waar gaat u heen?’ De pater was door de schrik niet in staat om te antwoorden. Hij vreesde niet zozeer voor zijn eigen leven, maar wel voor dat van de jonge moeder Maria Schneider. In plaats daarvan antwoordde de jonge vrouw tot de agent: ‘Hij is onze vriend en wij vergezellen hem. Hier is zijn kaartje,’ en ze gaf het aan de politieagent. Deze zei tegen de priester, kijkend naar het kaartje: ‘Gaat u a.u.b. niet in de laatste wagon zitten, want die zal bij het volgende station worden losgekoppeld van de rest van de trein. Goede reis!’ En meteen verliet de politieagent de wachtkamer. Pater Alexij keek Maria Schneider aan en zei: ‘God heeft ons een engel gezonden!’ Ik zal nooit vergeten wat u voor mij hebt gedaan. Als God het mij toestaat, zal ik terugkomen om jullie de heilige Communie te geven en ik zal bij elke heilige Mis voor u en uw kinderen bidden.’

Een jaar later kon pater Alexij terugkomen naar Krasnokamsk. Deze keer kon hij de Heilige Mis vieren en de heilige Communie uitdelen aan de gelovigen. Maria Schneider vroeg hem om een gunst: ‘Pater, kunt u voor mij een geconsacreerde Hostie achterlaten, want mijn moeder is ernstig ziek en zij zou graag de heilige Communie ontvangen voordat zij sterft? pater Alexij liet een geconsacreerde Hostie achter onder voorwaarde dat zij de heilige Communie met het grootst mogelijke respect zou behandelen. Maria Schneider beloofde het op die wijze te doen. Alvorens met haar familie te verhuizen naar Kirgistan, reikte Maria haar zieke moeder de heilige Communie. Om dat te doen deed zij nieuwe witte handschoenen aan en gaf de heilige Communie met een pincet aan de zieke. Daarna verbrandde zij de envelop waarin zij de heilige Hostie had bewaard.

tokmok

Tokmok in Kirgistan

De families van Maria Schneider en van Pulcheria Koch verhuisden daarna naar Kirgistan. In het jaar 1962 bezocht pater Alexij in het geheim Kirgistan en vond Maria en Pulcheria in de stad Tokmok. Hij celebreerde de heilige Mis in het huis van Maria Schneider en daarna nog een keer in het huis van Pulcheria Koch. Uit dankbaarheid jegens Pulcheria, die oude vrouw die hem had geholpen om gedurende de nacht en in de winterse kou over het Oeralgebergte te vluchten, liet pater Alexij een geconsacreerde Hostie bij haar achter, met de nauwkeurige instructie: ‘Ik laat een geconsacreerde Hostie bij u achter. Beoefent gedurende de eerste negen maanden de devotie ter ere van het Heilig Hart van Jezus. Elke eerste vrijdag van de maand moet je het Allerheiligste uitstellen in je huis, en daarbij mensen uitnodigen die je absoluut kunt vertrouwen, en alles moet in het uiterste geheim gebeuren. Na de negende maand kunt u de heilige Hostie nuttigen, maar doe het met grote eerbied!’ En zo gebeurde het.

Gedurende negen maanden werd er clandestiene Eucharistische aanbidding gehouden. Ook Maria Schneider was daarbij aanwezig samen met de aanbiddende vrouwen. Geknield voor de kleine Hostie wensten alle aanbiddende vrouwen vurig de heilige Communie te ontvangen. Maar helaas was er maar één kleine hostie. Daarom had pater Alexij besloten dat aan het einde van de negen maanden alleen Pulcheria de Hostie zou ontvangen, en alle andere vrouwen een geestelijke Communie zouden doen. Hoe dan ook, deze geestelijke Communies waren zeer kostbaar, omdat ze deze ‘Eucharistische’ vrouwen bekwaam maakten om bij wijze van spreken, met de moedermelk aan hun kinderen een diep geloof door te geven en een grote liefde voor de H. Eucharistie.

adoration

Het uitreiken van de kleine geconsacreerde Hostie aan Pulcheria Koch, in Tokmak, Kirgistan, was de laatste pastorale daad van de zalige Alexij Sartitski. Direct na zijn terugkeer van zijn missiereis, werd hij in april 1962 in Karaganda gearresteerd door de geheime politie en naar het concentratiekamp van Dolinka gebracht, dichtbij Karaganda. Na veel mishandelingen en vernederingen verwief pater Alexij de palm van het martelaarschap ‘ex aerumnis carceris’, ten gevolge van het lijden in de kerker, op 30 oktober 1963. Op die dag wordt zijn liturgische nagedachtenis gevierd in alle katholieke kerken van Kazachstan en Rusland. De Grieks katholieke kerk in Oekraïne viert dit samen met de andere martelaren uit Oekraïne op 27 juni. Hij was een heilige van de Eucharistie, die Eucharistische vrouwen kon opleiden. Deze Eucharistische vrouwen waren als bloemen die gegroeid waren in de woestijn van de illegaliteit, en hielden zodoende de Kerk werkelijk levend.

Het derde voorbeeld van Eucharistische vrouwen is dat van Maria Stang, een Duitse uit het gebied van de Wolga, gedeporteerd naar Kazachstan. Deze heilige moeder en oma, had een leven van ongelofelijk lijden geleden, van voortdurende ontberingen en offers. Maar zij was iemand met een groot geloof, grote hoop en geestelijke vreugde. Reeds als jong meisje wilde zij haar leven aan God toewijden. Door de communistische vervolging en de deportatie was haar levensweg smartelijk. Maria Stang schreef in haar herinneringen: ‘Ze hebben ons de priesters ontnomen. in het nabijgelegen dorp was nog een kerk, maar helaas geen priester meer. Het Allerheiligste was er niet meer. Maar zonder de priester, zonder het Allerheiligste, was de kerk zo koud. Ik moest bitter schreien.’

Vanaf dat moment begon Maria elke dag te bidden en offers te brengen aan God, met het volgende gebed: ‘Heer, geef ons weer een priester, geef ons de heilige Communie! Ik offer graag alles op uit liefde tot U, o allerheiligste Hart van Jezus!’ In dit ver weg gelegen oord van deportatie in oostelijk Kazachstan, bracht Maria Stang in het geheim, elke zondag, in haar huis andere vrouwen bijeen voor gebed. Tijdens deze zondagse bijeenkomsten weende de vrouwen dikwijls en baden ze aldus: ‘Maria, onze allerheiligste en dierbaarste Moeder, zie hoe arm wij zijn. Geef ons weer priesters, leraren en herders!’

Vanaf het jaar 1965 kon Maria Stang eenmaal per jaar naar Kirgistan reizen, waar een katholieke priester in ballingschap leefde (op een afstand van meer dan 1000 kilometer!). In de afgelegen dorpen van oostelijk Kazachstan hadden de Duitse katholieken al in geen 20 jaar meer een priester gezien. Maria schrijft: ‘Toen ik in Frunse (het huidige Birshkek) in Kirgistan aankwam, trof ik daar een priester aan. Bij het betreden van zijn huis zag ik een tabernakel. Ik had mij niet kunnen voorstellen in mijn leven ooit nog een tabernakel en de Eucharistische Heer te kunnen zien. Ik knielde neer en begon te schreien. Daarna naderde ik het tabernakel en kuste het.’ Alvorens weer te vertrekken voor haar reis naar Kazachstan, gaf de priester aan Maria Stang een pyxis met enkele geconsacreerde Hosties. De eerste keer dat de gelovigen bijeenkwamen in de tegenwoordigheid van het Allerheiligste, zei Maria tegen hen: ‘Wij hebben een vreugde en een geluk dat niemand zich kan voorstellen: wij hebben de Eucharistische Heer bij ons en wij kunnen Hem ontvangen.’ De aanwezige personen antwoordden: ‘Wij kunnen de Communie niet ontvangen, want wij hebben gedurende zovele jaren niet meer gebiecht.’ Daarna overlegden zij en namen het volgende besluit: ‘De tijden zijn zeer moeilijk, en aangezien ons het Allerheiligste gebracht is van een afstand van meer dan 1000 kilometer, zal God ons genadig zijn. Wij zullen geestelijk voor de priester te biecht gaan. We zullen een volmaakte akte van berouw verwekken en ieder van ons legt zichzelf een penitentie op.’ Zo deden allen, en daarna ontvingen zij de H. Communie, op de knieën en onder tranen. Het waren tranen van berouw en vreugde tegelijk.

pyxis

Een pyxis.

Gedurende 30 jaar verzamelde Maria Stang elke zondag de gelovigen voor gebed, leerde aan de kinderen en volwassenen de catechismus, bereidde aanstaande echtparen voor op het sacrament van het huwelijk, verrichte begrafenisplechtigheden en reikte vooral de H. Communie uit. Elke keer deelde zij met brandend hart en eerbiedig respect de Communie uit. Zij was een vrouw met een waarlijk priesterlijke ziel, een Eucharistische vrouw!

 

Bron: Het is de Heer – overwegingen van een Bisschop in Centraal Azië over de Heilige Communie, Athanasius Schneider, Stichting De Boog, 2008.

Advertenties

Categorieën:christenvervolging

Getagd als: